Sta jij ’s ochtends op alsof je net uit een winterslaap wordt gewekt, terwijl je ’s avonds rond tien uur pas echt aan gaat? Gefeliciteerd, grote kans dat je een avondmens bent. En minder gefeliciteerd: je leeft in een maatschappij die daar niet zo goed tegen kan.
Onze samenleving is namelijk gebouwd door, voor en met ochtendmensen. Mensen die fluitend om zes uur hun bed uitspringen, productief zijn vóór de koffie en zinnen zeggen als: “Ik heb al zoveel gedaan vandaag!” terwijl jij nog probeert te onthouden hoe je heet. Voor avondmensen voelt dat soms als structurele achterstelling — of op z’n minst een continue bron van frustratie.
Vroeg opstaan = goed mens?
In onze cultuur hangt er een soort morele waarde aan vroeg opstaan. Wie vroeg op is, is ambitieus. Gedisciplineerd. Succesvol. Wie later opstaat? Die is lui. Of niet gemotiveerd. Of “moet gewoon eerder naar bed”.
Dat laatste is de klassieker. Alsof je biologische klok zich eenvoudig laat overtuigen door een streng stemmetje en een wekker. Alsof je brein om 22:00 uur denkt: O ja, morgen vroeg eruit, ik zal nu eens lekker slapen.
Scholen beginnen vroeg, kantoortijden zijn vroeg en zelfs sociale afspraken lijken vóór het middaguur al productiever te zijn. Avondmensen lopen de hele dag achter de feiten aan, niet omdat ze minder kunnen, maar omdat ze op een ander moment pieken.
Maar bestaan ochtend- en avondmensen echt?
Ja. En nee. En ja, toch wel.
Wetenschappelijk gezien bestaat er zoiets als een chronotype: je natuurlijke voorkeur voor slaap- en waaktijden. Sommige mensen zijn biologisch ingesteld op vroeg wakker worden, anderen functioneren beter later op de dag. Dit heeft te maken met onder andere hormonen zoals melatonine, genetische factoren en hoe snel je interne klok verschuift.
Dat betekent niet dat iedereen strak in één hokje past. Er is een heel spectrum, met aan de ene kant extreme ochtendmensen (die om vijf uur al fris zijn) en aan de andere kant uitgesproken avondmensen (die om één uur ’s nachts nog ideeën krijgen). De meeste mensen zitten ergens in het midden, maar de uitersten bestaan echt — en die laatste groep heeft het vaak het zwaarst.
Waarom avondmensen het moeilijker hebben
Het probleem is niet dat avondmensen anders zijn, maar dat de wereld daar weinig rekening mee houdt. Een avondmens die om acht uur moet presteren, werkt eigenlijk structureel tegen zijn eigen ritme in. Dat kan leiden tot:
- chronisch slaaptekort
- concentratieproblemen
- een gevoel van falen (“Waarom lukt dit mij niet?”)
- stress en zelfs burn-outklachten
Ondertussen wordt dezelfde persoon ’s avonds ineens creatief, scherp en energiek — precies op het moment dat werk, school en maatschappij zeggen: “Nu moet je afronden en ontspannen.”
Moet je jezelf dan maar aanpassen?
Dat is de grote vraag. Moet een avondmens zichzelf dwingen een ochtendmens te worden? Het korte antwoord: dat kan deels, maar het heeft grenzen.
Je biologische klok volledig negeren is meestal geen goed idee. Dat kost enorm veel energie en werkt vaak maar tijdelijk. Aan de andere kant: volledig leven alsof je pas om elf uur hoeft te beginnen is voor de meeste mensen ook niet realistisch.
De beste oplossing ligt vaak in een middenweg. Kleine aanpassingen kunnen al helpen:
- vaste slaaptijden (ook in het weekend, hoe pijnlijk ook)
- minder fel licht en schermen laat op de avond
- belangrijke taken plannen op momenten dat jij het scherpst bent
- waar mogelijk flexibel werken of studeren
En misschien wel het belangrijkste: stop met jezelf vergelijken met ochtendmensen.
Tijd voor meer begrip
Misschien is het echte probleem niet dat avondmensen bestaan, maar dat we doen alsof één ritme voor iedereen werkt. Productiviteit is geen wedstrijd wie het vroegst wakker is. Sommige mensen denken beter om zeven uur ’s ochtends, anderen om tien uur ’s avonds. Beiden zijn waardevol.
Dus de volgende keer dat iemand zegt: “Je moet gewoon eerder opstaan”, mag je best denken: Of de maatschappij mag gewoon iets later beginnen. Dat zou voor verrassend veel mensen een wereld van verschil maken.